Bart Jan Spruyt: Vaagpraat en vrome preekjes gaan CDA niet redden

Het CDA van Henri Bontenbal stijgt in de peilingen en zal, zo denkt men, na de volgende verkiezingen toetreden tot een nieuw kabinet. Maar met het trekken van de fatsoenskaart en vrome betoogjes over ‘gemeenschapszin’ gaat hij het zeker niet redden.
Recente peilingen duiden op verschuivingen in de kiezersgunst. De PVV zakt richting of zelfs onder de 30 zetels, GL-PvdA en VVD stijgen juist richting datzelfde aantal. En terwijl BBB en NSC wegzakken naar twee of drie zetels, stijgt het CDA aanzienlijk: van nu vijf naar zo’n achttien zetels.
Diepe opluchting
Dat wekt bij velen de verwachting dat we na de volgende verkiezingen gewoon weer een ‘midden’-kabinet krijgen, met in ieder geval de VVD en GL-PvdA en zeker ook het CDA als onmisbare partner. Onder politici en hun watchers klinkt zelfs een toon van diepe opluchting: dankzij de recente internationale ontwikkelingen komt straks gewoon weer het ‘redelijke midden’ aan de macht en dat gaat in harmonie alle problemen voor ons oplossen.
Van deze eigenschapsloze verklontering in het midden zal in ieder geval het CDA dus deel uitmaken. Dat roept de vraag op naar de staat van de christendemocratie, waarvan de leider, Henri Bontenbal, wordt gevierd als een nieuwe ster aan het politieke firmament.
Bontenbal presenteerde zichzelf aanvankelijk als een uiterst bescheiden man. Zijn partij had tien zetels verloren en stond overal buiten. Hij, als ‘new kid on the block’, moest intern afrekenen met de erfenis van zijn voorgangers, Sybrand Buma en Wopke Hoekstra. Buma had geprobeerd het CDA meer op rechts te positioneren, Hoekstra was eigenlijk een VVD’er die op geen enkele manier aan iets uit de christendemocratische traditie herinnerde. Bontenbal stond dus voor de opgave niet alleen zelf enige bekendheid te verwerven maar ook een eigen verhaal te vertellen, het CDA-verhaal weer op te poetsen.
Hoe dat verhaal er volgens hem uitziet, is de afgelopen anderhalf jaar overduidelijk geworden. Toen kiezers die hun vertrouwen aan BBB, NSC en PVV hadden gegeven, teleurgesteld begonnen af te haken bij het gebrek aan daadkracht van het nieuwe kabinet, en Bontenbal in de peilingen begon te stijgen, steeg zijn zelfvertrouwen navenant en begon hij zich scherper uit te spreken tegen ‘het populisme’. En wat vooral opviel, is dat hij nog altijd probeert iets van zijn oorspronkelijke bescheidenheid te cultiveren, maar niet in moreel opzicht: hij neemt de ander graag de maat.
Antwoord op populisme
Dat bleek deze week bijvoorbeeld in het debat met minister Faber over lintjesgate. Terwijl de kwestie van de ‘eenheid van kabinetsbeleid’ voor de meeste woordvoerders centraal leek te staan, trok Bontenbal meer dan alle anderen bij elkaar de morele kaart. Faber had alle fatsoensnormen overschreden. Ze wordt voortgedreven door gevoelens van ‘rancune en wraak’ in plaats van het algemeen belang te dienen. Ook minister-president Schoof betrok hij in zijn moralistische boutade: die had immers beloofd het gedrag en de uitspraken van zijn ministers te ‘normeren’, maar daar kwam weinig van terecht. Hij zou nu excuses van Faber moeten eisen en de belofte dat zij alsnog voor die lintjes zou tekenen.
In de dinerpauze van dit debat spoedde Bontenbal zich naar Sociëteit De Witte aan het Plein. Hij mocht daar de Kerdijklezing geven, vernoemd naar de progressieve liberaal Arnold Kerdijk (1846-1905). Daarin gaf Bontenbal naar eigen zeggen zijn ‘antwoord op het populisme’. Populisten beloven teveel, en weten die beloften keer op keer niet waar te maken. Politici moeten bescheidener worden, geen al te grote verwachtingen wekken, weer wat ‘idealistischer’ worden en vooral: wellevender, fatsoenlijker. De ‘gemeenschapszin’ moet worden hersteld.
Reprise
Wat we hier zien is een opzichtige reprise van het verhaal waarmee Diederik Samsom (PvdA) in 2012 wist te scoren: het eerlijke verhaal, omdat kiezers best begrijpen dat alle problemen niet in één keer kunnen worden opgelost. En de lezing illustreert opnieuw zijn poging om het oude CDA-verhaal op te poetsen. De slogan van Balkenende (‘waarden en normen’) is herschreven tot het ideaal van het ‘fatsoen’, en het ‘maatschappelijk middenveld’ (de ‘civil society’) heet nu ‘gemeenschapszin’, ‘ademruimte’ voor de samenleving.
Het kan zo zijn dat veel kiezers dit pleidooi tegenover de chaos van het huidige kabinetsbeleid als een soort verademing ervaren. Maar het is nog maar de vraag hoe lang zo’n verhaal blijft overtuigen, zeker op het moment dat het moet worden geconcretiseerd.
Het voortdurend trekken van de fatsoenskaart is riskant. Dat bleek van de week tijdens een interruptiedebatje tussen Bontenbal en PVV-leider Wilders. Bontenbal verweet Wilders dat hij geen politiek op basis van ‘waarden en normen’ voorstond, maar een heel ‘cynische’ vorm van politiek bedreef en daarmee was wat hem betreft aangetoond dat het ‘morele kompas’ van Wilders niet goed stond afgesteld. Wilders beet gelijk terug door Bontenbal de oude CDA-politiek van de morele arrogantie te verwijten. ‘En dat accepteer ik niet. Ik ben niet minder of meer dan u.’
De pogingen van Bontenbal om het oude CDA-verhaal te herijken, op te frissen of hoe het maar wordt genoemd, blijft bovendien tot nog toe steken in oeverloze vaagpraat over dat maatschappelijk middenveld. Een poging dat idee uit te leggen deed Bontenbal in een essay dat hij september vorig jaar in Vrij Nederland publiceerde.
Ademruimte
Er moet ‘moreel besef’ zijn, zo schreef hij daar, want dan is er ook het besef dat ‘we’ de dingen ‘samen moeten doen’, en dan voorkomen we politieke polarisatie en ongelijkheid. En omgekeerd: als we de huidige polarisatie en ongelijkheid willen doorbreken, moeten we ‘ons realiseren dat we verantwoordelijkheid dragen om voor andere mensen te zorgen’.
Hoe ontstaat dat besef? Bontenbal rept dan van de ‘gemeenschapsversterkende rol van de overheid’. Den Haag moet niet alleen investeren in bibliotheken, openbaar vervoer en buurthuizen, maar de mensen vooral ook aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheden. De overheid moet meer ruimte (ademruimte!) laten aan de samenleving, want dan gaat er als vanzelf, vanuit de kracht die er in de samenleving schuilt, weer van alles bloeien. In zo’n ‘verantwoordelijke samenleving’ kan er weer een gemeenschappelijke zoektocht naar het goede leven komen en denken we weer vanuit de langere termijn in plaats van vanuit de volgende verkiezingsdatum.
Dat essay was dus meer een lief en vroom betoog dan een politiek statement. Allereerst omdat het uitblinkt in vaagtaal. Een ‘verantwoordelijke samenleving’: waarvoor verantwoordelijk? En gaat een land van 18 miljoen individuen een ‘gezamenlijke zoektocht’ ondernemen, vanuit een vermeende ‘hunkering naar een land waar mensen zich om elkaar bekommeren’?
Als Bontenbal de winst in de peilingen nu straks bij de verkiezingen wil verzilveren, moet het allemaal veel concreter. Politici die ruimte laten aan de samenleving? Waar dan precies, op welke terreinen, en hoe dan? De laatste CDA’er die ik zich in deze taal heb horen uitdrukken, was Jaap de Hoop Scheffer, bij de algemene beschouwingen van 1997 (zijn eerste jaar als politiek leider). Kijk nog eens naar de interrupties van Jan Marijnissen (SP) tijdens dat debat, en realiseer je hoe hard dit soort vaagheid wordt afgestraft.
Tocqueville
Balkenende geloofde ook dat een samenleving als vanzelf de taken zou oppakken die een overheid afstoot. Het is de gedachte achter de participatiesamenleving. Het is zo goed als zeker een illusie. Een van de belangrijkste vaders van het christendemocratische denken, Alexis de Tocqueville (1805-1859) wist al dat individualisering ertoe leidt dat burgers hun verantwoordelijkheden steeds meer naar de overheid zullen delegeren. Dat veroorzaakt niet alleen vereenzaming en een verbrokkeling van de samenleving, maar ook een ongekende lethargie. Het eindigt namelijk op het punt dat van de overheid wordt verwacht dat zij burgers ‘de moeite van het denken en de last van het leven’ bespaart (Democratie in Amerika II.4.6).
Hoe herstel je de moraal? Vanuit de politiek? Natuurlijk niet. Maar wat kan de politiek dan wel? Bontenbal moet op dit punt snel concreter worden, anders eindigt hij als zijn voorgangers.
Bart Jan Spruyt is historicus en journalist. Zijn columns over politiek en samenleving verschijnen iedere zaterdag in Wynia’s Week.
Wynia’s Week verschijnt drie keer per week, 156 keer per jaar, met even onafhankelijke als broodnodige artikelen en columns, video’s en podcasts. U maakt dat samen met de andere donateurs mogelijk. Doet u weer mee? Kijk HIER. Hartelijk dank!