Arnout Jaspers: Waar is die goeie ouwe tijd, toen westerse mannen nog sneuvelbereid waren?

Kanchanaburi is een middelgrote stad in centraal Thailand. Prachtig gelegen ter weerszijden van een brede rivier, omringd door knalgroene rijstvelden en bergen met uitgestrekte grotcomplexen. Sommige van die grotten zijn boeddhistische heiligdommen, die je als toerist kunt bezoeken. De hele streek ademt bucolische vrede; aanrader voor iedereen die een paar weken Thailand doet.
Maar sla, pal in het centrum van de stad, niet de geallieerde oorlogsbegraafplaats over. Daar liggen bijna zevenduizend Britse, Australische en Nederlandse gesneuvelden en meer dan honderd soldaten ‘known unto God’, dat wil zeggen ongeïdentificeerden.
Nog elke dag komen nabestaanden hier bloemen leggen en hun familieleden herdenken. In 1942, nadat Japan Pearl Harbour aangevallen had, stuurden Groot-Brittannië, Australië, andere landen van de Commonwealth (zoals Brits-Indië) en niet te vergeten Nederland honderdduizenden mannen de halve wereld over om een koloniaal rijk te verdedigen, een rijk dat ondanks de overwinning op de Japanners een paar jaar later al niet meer bestond, omdat het werd teruggegeven aan de inheemse bewoners van die landen. Naar hun sneuvelbereidheid is nooit gevraagd.
Niets te willen of te kiezen
Als je langs de rijen naambordjes loopt, valt op hoe jong ze waren: de meesten pas 18, 19 of 20, en vrijwel niemand boven de 30. Stel je even voor, je hebt als scholier net eindexamen gedaan, de oorlog breekt uit, en de overheid plukt je uit huis, stopt je zes weken in een bootcamp en daarna in een troepentransportschip, letterlijk naar de andere kant van de wereld. Je had niets te willen of te kiezen, je ging gewoon. Net als hun vaders, trouwens, want die hadden in de Eerste Wereldoorlog ook al niets te willen of te kiezen.
Ettelijke van die troepentransportschepen hebben hun bestemming nooit bereikt, omdat ze getorpedeerd werden door de Japanners en met man en muis vergingen. Maar die gesneuvelden liggen hier natuurlijk niet; dit zijn bijna allemaal krijgsgevangen die zijn bezweken bij het aanleggen van de Dodenspoorlijn naar Birma.* De fameuze Bridge over de River Kwai bestaat ook nog, net buiten de stad, en die is nu een toeristenattractie. Een bruggetje van niks, eigenlijk, als je niet de schrikwekkende reputatie van het werk aan die spoorlijn kent.
Maar je bent dus 18 of 19, in Liverpool of Manchester uit je vertrouwde omgeving geplukt, gedropt in een jou totaal onbekend tropisch land, en na een kansloze verdedigingsoorlog al na een paar maanden in een Japans krijgsgevangenkamp terechtgekomen. Vanzelfsprekend was in die tijd geen enkel contact met het thuisfront mogelijk; de familie zwaaide de soldaat uit op het treinstation of in de haven, en dan begon het eindeloze, angstige wachten of je hem ooit nog terug zou zien.
De omstandigheden in de kampen waren zo slecht, dat het iedereen duidelijk was dat alleen een tijdig einde aan de oorlog hen kon redden. Maar die oorlog sleepte zich voort, jarenlang, terwijl ze stierven als vliegen. Ik denk dat als je jong bent, dit nog veel erger is dan als je al een half leven achter je hebt. Veel van die jongens woonden nog bij hun ouders, hadden misschien nog nooit een vriendin gehad, laat staan een eigen woning of kinderen, en moesten behalve de acute ontberingen, ook nog het idee verdragen dat ze dit allemaal nooit zouden meemaken. Hun vooruitzicht was anoniem creperen in de jungle, zonder ooit hun familie en vrienden nog terug te zien.
Oorlogen zouden eigenlijk moeten worden uitgevochten door mannen en vrouwen boven de 50.

Als je een uurtje over die begraafplaats kuiert, dringt tot je door in welk een existentiële luxe de westerse generaties van na het vallen van de Muur verkeren, wat ze uiteraard niet of nauwelijks beseffen. Ik ben opgegroeid tijdens het dieptepunt van de Koude Oorlog, toen er met enige regelmaat crises uitbraken waarbij een nucleair armageddon dat heel Europa zou verwoesten een reële mogelijkheid leek.
Nederlands kanonnenvoer
Tot het jaar dat het gebeurde, 1989, had ik nooit durven dromen dat ik nog mee zou maken hoe de Sovjet-Unie en het Oostblok vrijwel geweldloos ineenstortten. Het was bijna niet te bevatten, dat het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur ineens weg waren, dat Oost-Europa vrij was, en de nucleaire dreiging verdwenen.
Toch zou het nog acht jaar duren, tot 1997, voordat in Nederland de opkomstplicht werd afgeschaft (de dienstplicht bestaat formeel nog steeds). Niemand jonger dan 44 heeft er ervaring mee, dat de staat anderhalf jaar van je leven opeist, gewoon omdat de staat stelt dat dit nodig is voor de veiligheid van de staat.
Er is nu sprake van het opnieuw activeren van de opkomstplicht, om Nederlands kanonnenvoer voor de oorlog in Oekraïne beschikbaar te hebben, mocht ‘onze’ NAVO-baas Mark Rutte daar om verzoeken. Critici vragen zich af, of onze jongeren daartoe wel voldoende sneuvelbereidheid bezitten.
Zelf heb ik in 1985 en 1986 in dienst gezeten. De dienstplicht was, gegeven de onontkoombare realiteit van de Koude Oorlog, onomstreden. Zeker, je kon er onderuit door jezelf een pacifistisch geweten aan te meten, maar dan moest je vervangende dienstplicht doen.
Die beoordeling van je geweten was een farce. Een huisgenoot van mij in het studentenhuis werd opgeroepen, en als academicus kwam hij in aanmerking voor een functie als onderofficier. Dat zag hij wel zitten, dus hij in dienst. Maar toen zakte hij na twee maanden voor het onderofficiersexamen, met het vooruitzicht dat hij gewoon soldaat zou moeten worden. Toen kreeg hij ineens last van pacifisme, zijn gewetensbezwaar werd door de onderhavige commissie erkend, dus mocht hij uit dienst. Die is later vast iets bij D66 gaan doen.
Volgens de keuring was ook ik geen onderofficiersmateriaal (‘een onaangepast individu waarvan problemen te verwachten zijn’ stond in het rapport van de psycholoog dat ik met een beroep op de wet mocht inzien), dus heb ik als soldaat, meer specifiek als jeep-chauffeur, mijn veertien maanden volgemaakt.
Schrikbeeld Seedorf
Zelf had ik een luizenbaantje op de kazerne in Den Haag, maar een andere huisgenoot uit m’n studentenhuis heeft, net als tienduizenden andere Nederlandse dienstplichtigen, een jaar in Duitsland ‘gelegen’, in Seedorf. Naar Seedorf gestuurd worden was voor veel dienstplichtigen een schrikbeeld, en soms werd het als een Zwaard van Damocles boven recalcitrante types gehangen.
Volgens plan was het de taak van het regiment in Seedorf om samen met de Duitsers de eerste klap op te vangen als de duizenden tanks van het Warschaupact in een massale aanval de grens over staken. Als dienstplichtige werd je dan geacht met een draagbaar antitankwapen vanuit een loopgraaf, optimistisch geschat, één of twee tanks uit te schakelen. En verder? De geschatte overlevingstijd aan het front was een uur. Bij een grote doorbraak zou de NAVO vrijwel zeker tactische kernwapens inzetten om de opmars van het Warschaupact te stoppen. Ik kan u verzekeren, onze sneuvelbereidheid was nul, we hoopten slechts dat de Russische beer niet in onze diensttijd los zou gaan.
Dat je de opkomstplicht slechts opnieuw kunt invoeren als er onder Nederlandse jongeren voldoende sneuvelbereidheid bestaat, is weer een schoolvoorbeeld van postmoderne verwarring. Het heet dienstplicht omdat het moet, omdat de staat besloten heeft dat dit moet gebeuren. Wat dat betreft is het net zoiets als gevangenisstraf: dat schaffen we ook niet af als er onder veroordeelden onvoldoende detentiebereidheid bestaat.
Maar het hele idee dat een staat, ook een democratische rechtsstaat, burgers mag dwingen om hun leven in de waagschaal te stellen voor het algemeen belang, is ons volkomen vreemd geworden. De generaties van na de Koude Oorlog kunnen zich een concrete dreiging voor het voorbestaan van onze veiligheid, welvaart en manier van leven niet eens meer voorstellen. Zelfs hun ouders hebben geen eigen herinneringen meer aan de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting. Voor hen is de staat een cafetaria van uitkeringen en andere voorzieningen voor de calculerende burger, die in ruil daarvoor zo min mogelijk belasting afdraagt, en daarmee moet de kous af zijn.
Of het momenteel zinnig is om de opkomstplicht weer in te voeren is een andere kwestie. Gevechtstechnisch laag opgeleide dienstplichtigen zijn op een slagveld niet meer dan kanonnenvoer. Anderzijds, het Israëlische leger steunt voor een groot deel op dienstplichtigen. Maar daar moeten iedereen die 18 wordt drie jaar (jongens) of twee jaar (meisjes) in dienst, en dan jaarlijks terugkomen voor herhalingsoefeningen tot je 45e.
Halfzachte manier
Als Nederland de opkomstplicht weer invoert, gaat het vast weer op de halfzachte manier van voorheen: welwillende huisartsen die afkeuringsbriefjes schrijven voor de rekruut, een commissie gewetensbezwaarden die nooit een beroep op gewetensbezwaar afwijst, en allerlei uitzonderingsgronden, zodat niemand die echt niet wil in dienst hoeft.
Onder studenten en afgestudeerden werd het destijds breed geaccepteerd om je op welke manier dan ook onder de dienstplicht uit te wurmen. Die dienstplicht was heel mooi voor laagopgeleiden, maar je kon toch niet verwachten dat hoogopgeleiden hun carrièrestart daar anderhalf jaar voor uitstelden?
* Bij het aanleggen van de Dodenspoorlijn zijn in feite meer inheemse arbeiders (Thais, Birmezen en Maleisiërs) omgekomen dan geallieerde krijgsgevangen, maar daarover is veel minder gedetailleerde informatie beschikbaar, en er was tot nu toe ook nauwelijks geld en aandacht voor hun identificatie, geschiedschrijving, gedenktekens of een museum.
Wetenschapsjournalist Arnout Jaspers is auteur van de bestsellers De Stikstoffuik (2023) en De Klimaatoptimist (2024), over energietransitie in Nederland. De boeken zijn HIER en HIER te bestellen. Informatie voor media en boekhandel: info@blauwburgwal.nl.
Wynia’s Week verschijnt drie keer per week, 156 keer per jaar, met even onafhankelijke als broodnodige artikelen en columns, video’s en podcasts. U maakt dat samen met de andere donateurs mogelijk. Doet u weer mee, ook in 2025? Kijk HIER. Hartelijk dank!